Wonen in een opvangcentrum

Veel kinderen verlaten hun familie, huis en land – met of zonder ouders – omdat ze er niet kunnen blijven door oorlog, geweld of andere omstandigheden. Na een vaak lange en gevaarlijke reis komen ze alleen of met ouders in een opvangcentrum van het COA in Nederland terecht. Er bestaan verschillende vormen van opvang voor asielzoekers.

Leven in onzekerheid
Kinderen in asielopvangcentra groeien op in een niet normale situatie onder moeilijke omstandigheden. Ze hebben al veel moeten doorstaan voordat zij in Nederland aankwamen. Ze hebben hun thuis moeten verlaten, familie moeten achterlaten, hebben moeten vluchten en velen zijn familieleden kwijtgeraakt. Bij aankomst in Nederland begint een nieuwe onzekere periode: mogen ze blijven of moeten ze het land verlaten? Veel kinderen staan hierdoor onder continue spanning. Ook voelen ze de stress van hun ouders.

Zelfs als kinderen te horen krijgen dat ze mogen blijven, betekent dat niet dat ze meteen tot rust komen. Ze hebben geleerd om normaal op een abnormale situatie te reageren en dat gaat niet zomaar over. Zoals een moeder uit Syrië vertelt: “Mijn kinderen hadden een oorlogstrauma. Ze konden twee maanden niet slapen. Mijn dochter heeft altijd nachtmerries: altijd ziet ze Assad en bloed, ze ziet alles. En als ze gaat tekenen dan tekent ze Assad.”

Bovendien breekt dan een andere realiteit aan. Ouders en kinderen moeten een leven opbouwen in een nieuw en onbekend land dat heel anders is dan waar ze vandaan komen. Dezelfde moeder vertelt: “Mijn zoon had geen ambitie om door te gaan in het leven. Hij was altijd aan het nadenken: waarom ga ik studeren, eten of spelen? Waarom, want de oorlog komt opeens en neemt alles. Mijn moeder had gestudeerd en nu niets, mijn vader was professor en nu in Nederland is hij niets. Als de oorlog komt neemt die alles en ik wil niet meer studeren of iets… Dat was heel moeilijk voor ons.”

Ontwikkeling onder druk
Wonen in een opvangcentrum kent veel aspecten. Er leven mensen:

  • Dicht op elkaar.
  • Vanuit verschillende achtergronden.
  • Die ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt.
  • Die regelmatig moeten verhuizen (naar een ander opvangcentrum).

Dat alles zorgt voor spanningen, tussen volwassenen en ook tussen kinderen.

De vele verhuizingen (gemiddeld eens per jaar) leveren stress en ontwikkelingsschade op. Kinderen moeten steeds opnieuw afscheid nemen en elders opnieuw beginnen, ook op school. Voor dit probleem wordt al lang aandacht gevraagd, door onder meer de Werkgroep Kind in azc.

Sommige kinderen kiezen ervoor om geen nieuwe vriendschappen meer aan te gaan. Een 13-jarig meisje uit Libanon vertelt hierover: “Als je naar school gaat, moet je nieuwe stof leren enzo, dat is wel lastig. Je moet de hele tijd nieuwe vrienden maken. Het gaat wel makkelijk om nieuwe vrienden te maken, maar voor jezelf is dat telkens vervelend. Dan raak je weer gehecht aan een persoon en je moet telkens afscheid nemen.”

Door het komen en gaan van bewoners verandert elke keer de pikorde tussen de kinderen in het centrum. Er wordt veel gepest, zowel in het centrum als op school. Ouders en kinderen hebben moeite om dit op te lossen. Het beïnvloedt hun gevoel van veiligheid.

Veel centra staan aan de rand van gemeenten waardoor mensen zich letterlijk buiten de samenleving voelen staan. De centra zijn sober ingericht en kinderen hebben meestal geen eigen kamer. “Je woont in een ruimte met je ouders en dat is te klein. Je wilt je eigen ruimte hebben, waar je rustig kan zijn maar dat heb je niet. Veel jongeren hebben ruzie met hun ouders want ze willen hun eigen ding doen en hun eigen muziek draaien” (meisje, 15 jaar, Rusland).

Kinderen kunnen zich in de opvanglocaties niet goed ontwikkelen. Ze ontberen de noodzakelijke voorwaarden die nodig zijn om op te groeien, zoals een veilige en ongedwongen omgeving, de vrijheid om je te verplaatsen en nieuwe ervaringen op te doen, contact met leeftijdsgenoten en mogelijkheden om zich in sport en spel te kunnen uiten. Ouders worden onvoldoende in staat gesteld hun kinderen te begeleiden bij het opgroeien. Bovendien staat de toegang en continuïteit van het onderwijs en zorg voor deze kinderen onder druk, mede door de vele verhuizingen. Moeder uit Syrië: “Mensen klagen meer over een azc, want de inrichting is niet goed voor mensen om een jaar te blijven. Misschien een maand, tijdelijk, … het is geen plek voor menselijk leven. De structuur van de gebouwen van een azc moet veranderen, maar niet de mensen.”

“Het wonen in een azc verschilt per centrum en ook hoe mensen met elkaar omgaan. Ik heb gezien dat mensen elkaar achterna zaten met messen, mensen die met elkaar op de vuist gingen. Een man die een kind van iemand anders helemaal in elkaar heeft gerost.” (Jongen, 22 jaar, Somalië) 

Snel volwassen
Kinderen in de opvang leren in korte tijd de Nederlandse taal omdat ze naar school gaan. Dat is voor hun ouders anders. Die leren de taal doorgaans pas als ze een verblijfsvergunning krijgen. Dat betekent dat kinderen soms als tolk fungeren en zo meer horen en zien dan goed voor hen is. Zij maken zich zorgen over hun ouders en nemen taken van hen over als die daar niet meer toe in staat zijn. Veel kinderen zijn nog te jong om dit te verwerken, zeker in combinatie met de heftige gebeurtenissen in hun thuisland en onderweg. Hierdoor lijken asielzoekerskinderen vaak eerder volwassen dan Nederlandse kinderen. En sommigen hebben het gevoel dat ze alleen begrepen worden door lotgenoten. “Niemand begrijpt mij op school. Er zijn wel buitenlandse kinderen daar maar geen vluchtelingen. Ik ben de enige die in een azc woont, ik ben de enige in zo’n situatie. Ze begrijpen niet hoe mijn leven is buiten school” (meisje, 15 jaar, Rusland).

Uitgeprocedeerd
Kinderen die niet in Nederland mogen blijven, worden geconfronteerd met een andere onzekerheid.

  • Ze worden opgevangen in gezinslocaties voor uitgeprocedeerde gezinnen.
  • Ze weten dat ze Nederland uitgezet kunnen worden.
  • Ze zien dagelijks om zich heen dat andere kinderen en gezinnen worden opgehaald om uitgezet te worden.

De meeste van deze kinderen zijn al jaren in Nederland en komen niet in aanmerking voor het kinderpardon, maar kunnen ook niet ergens anders heen.

Kinderen, ouders, leerkrachten en hulpverleners vertellen dat veel van deze kinderen boos zijn en zich in de steek gelaten voelen. Ze begrijpen niet waarom hun asielaanvraag is afgewezen, of waarom ze niet in aanmerking komen voor het kinderpardon en anderen wel. Sommige kinderen ervaren dit als willekeur, zeker als ze al heel lang in Nederland wonen. Hun leven wordt bepaald door het niet hebben van een verblijfsvergunning. “Ik wil niet hun hulp, maar wat ik nodig heb, dat kunnen ze niet doen, een verblijfsvergunning” (meisje, 15 jaar, Rusland).

Zonder een verblijfsvergunning zien zij geen toekomstperspectief omdat ze niet weten waar hun toekomst ligt: in Nederland of ergens anders.

“Ik ben op een jonge leeftijd gepusht om volwassen te worden omdat ik de oudste thuis was en mijn moeder werd ziek. De hoofdpijn en de buikpijn en de stress die je dan hebt. Als kind maak je sowieso dingen mee die om je heen gebeuren. Die zijn veel groter dan voor een volwassene en al helemaal als je in een situatie zit dat je gevlucht bent en dat je dan je verhaal vertelt en niet geloofd wordt en dan terug zou moeten naar je land.” (Jongen, 22 jaar, Somalië)

Veel van deze kinderen voelen zich niet welkom in Nederland, minderwaardig en buiten de maatschappij geplaatst. Naarmate ze ouder worden beseffen ze zich beter wat het betekent om geen verblijfsvergunning te hebben. Veel kinderen, en hun ouders, kunnen daar niet mee omgaan. Ze raken gedemotiveerd om onderwijs te volgen en worden depressief. Het langdurig wonen in een gezinslocatie beschadigt kinderen aantoonbaar.

Vooral in de puberteit, de periode waarin hun persoonlijkheid zich (verder) moet ontwikkelen richting volwassenheid, krijgen kinderen ontwikkelings- en identiteitsproblemen. Meisje, 15 jaar, Rusland: “Het is niet alleen mijn situatie, het is alles van mijn leven. Ik ben heel emotioneel van alles, alles gaat moeilijk in mijn leven, niet zoals bij jongeren met status. Die hebben hun eigen problemen, maar die wonen in een huis, in een gezin. Die hebben meerdere dingen die ik niet heb, die mogen werken.”

“Ik werd ouder, ik ging de puberteit in. Ik word volwassen en kan niets opbouwen. Het wordt me tegengehouden een toekomst voor mezelf op te bouwen en daar voel ik mij minderwaardig door. En dat gevoel heb ik af en toe nog steeds.” (Jongen, 22 jaar, Somalië)

Meer informatie over gezinslocaties vindt u hier.

Schaderisico
Over de risico’s die verbonden zijn aan het uitzetten van kinderen die hier al lange tijd wonen, is in december 2018 een multidisciplinaire wetenschappelijke onderbouwing van de RUG en VU verschenen: Schaderisico bij uitzetting langdurig verblijvende kinderen.

Traumabehandeling
Er is nog geen adequaat antwoord op de trauma’s van asielzoekerskinderen terwijl inmiddels wel duidelijk is dat veel van deze kinderen hulp nodig hebben. Dat heeft verschillende oorzaken. De behandeling van trauma’s is effectiever als er sprake is van een stabiele leefomgeving. Om die reden wordt deze behandeling vaak uitgesteld als het om asielzoekerskinderen met een trauma gaat. Ze krijgen pas in een zeer laat stadium hulp. Daarnaast is het aanbod voor kinderen beperkt. Er zijn er wel methoden ontwikkeld om trauma’s te behandelen of te voorkomen in onstabiele situaties, maar nog niet specifiek voor kinderen.

Jeugdarts: “De oorzaak van veel problemen blijft bestaan totdat je een verblijfsvergunning hebt. Daar is niet zoveel aan te veranderen. Maar wat hebben ouders dan nodig? Want we willen dat ze blijven staan voor de kinderen, ook voor henzelf, maar met name voor de kinderen. Niets doen is geen optie.”


Andere pagina’s over
Asielzoekerskinderen:
* Opvang
* Asielprocedure
* Organisaties in de asielopvang
* Wonen in een opvangcentrum
* Alleenstaande minderjarige asielzoekers